NL: optuttenSynoniemen: opdirken, uitdossen, opsmukken, opmaken, opdoffen
DE: ausschmücken, aufdonnern, zurechtmachen, aufputzen, herausputzen, feinmachen
EN: dress up, doll up
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgetut
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tut op jij tut op hij tut op wij tutten op jullie tutten op zij tutten op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgetut jij hebt opgetut hij heeft opgetut wij hebben opgetut jullie hebben opgetut zij hebben opgetut
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik tutte op jij tutte op hij tutte op wij tutten op jullie tutten op zij tutten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgetut jij had opgetut hij had opgetut wij hadden opgetut jullie hadden opgetut zij hadden opgetut
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal optutten jij zult optutten hij zal optutten wij zullen optutten jullie zullen optutten zij zullen optutten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgetut hebben jij zult opgetut hebben hij zal opgetut hebben wij zullen opgetut hebben jullie zullen opgetut hebben zij zullen opgetut hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou optutten jij zou optutten hij zou optutten wij zouden optutten jullie zouden optutten zij zouden optutten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgetut hebben jij zou opgetut hebben hij zou opgetut hebben wij zouden opgetut hebben jullie zouden opgetut hebben zij zouden opgetut hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tut op
|