NL: opstartenDE: opstarten (in werking stellen): betätigen, einschalten, in Funktion setzen
EN: opstarten (in werking stellen): start up, boot
ES: opstarten (in werking stellen): arrancar, poner en marcha, prender, poner en función, iniciar
FR: opstarten (in werking stellen): démarer, déclencher, mettre en marche
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgestart
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik start op jij start op hij start op wij starten op jullie starten op zij starten op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgestart jij hebt opgestart hij heeft opgestart wij hebben opgestart jullie hebben opgestart zij hebben opgestart
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik startte op jij startte op hij startte op wij startten op jullie startten op zij startten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgestart jij had opgestart hij had opgestart wij hadden opgestart jullie hadden opgestart zij hadden opgestart
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opstarten jij zult opstarten hij zal opstarten wij zullen opstarten jullie zullen opstarten zij zullen opstarten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgestart hebben jij zult opgestart hebben hij zal opgestart hebben wij zullen opgestart hebben jullie zullen opgestart hebben zij zullen opgestart hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opstarten jij zou opstarten hij zou opstarten wij zouden opstarten jullie zouden opstarten zij zouden opstarten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgestart hebben jij zou opgestart hebben hij zou opgestart hebben wij zouden opgestart hebben jullie zouden opgestart hebben zij zouden opgestart hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
start op
|