NL: opsporenSynoniemen: ontdekken, ontwaren, traceren, vinden, lokaliseren, merken, vaststellen, uitmaken
DE: opsporen (ontwaren): entdecken, herausbekommen, hinterkommen, auflösen, herausbringen, ausfindig machen
EN: opsporen (ontwaren): reveal, detect, discover, spot
ES: opsporen (ontwaren): solucionar, sacar en claro
FR: opsporen (ontwaren): découvrir, discerner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgespoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spoor op jij spoort op hij spoort op wij sporen op jullie sporen op zij sporen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgespoord jij hebt opgespoord hij heeft opgespoord wij hebben opgespoord jullie hebben opgespoord zij hebben opgespoord
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spoorde op jij spoorde op hij spoorde op wij spoorden op jullie spoorden op zij spoorden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgespoord jij had opgespoord hij had opgespoord wij hadden opgespoord jullie hadden opgespoord zij hadden opgespoord
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opsporen jij zult opsporen hij zal opsporen wij zullen opsporen jullie zullen opsporen zij zullen opsporen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgespoord hebben jij zult opgespoord hebben hij zal opgespoord hebben wij zullen opgespoord hebben jullie zullen opgespoord hebben zij zullen opgespoord hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opsporen jij zou opsporen hij zou opsporen wij zouden opsporen jullie zouden opsporen zij zouden opsporen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgespoord hebben jij zou opgespoord hebben hij zou opgespoord hebben wij zouden opgespoord hebben jullie zouden opgespoord hebben zij zouden opgespoord hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spoor op
|