Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

opsplitsen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: opsplitsen
Synoniemen: afbreken, delen, onderverdelen, opdelen, splitsen

DE: teilen, aufteilen, gliedern, dividieren, trennen, scheiden, aufgliedern
EN: split up, seperate, itemize
ES: compartir, subdividir, distribuir, separar, repartir
FR: diviser, subdiviser, répartir, fendre, séparer, dissocier

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
opgesplitst
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik splits op
jij splitst op
hij splitst op
wij splitsen op
jullie splitsen op
zij splitsen op
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb opgesplitst
jij hebt opgesplitst
hij heeft opgesplitst
wij hebben opgesplitst
jullie hebben opgesplitst
zij hebben opgesplitst
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik splitste op
jij splitste op
hij splitste op
wij splitsten op
jullie splitsten op
zij splitsten op
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had opgesplitst
jij had opgesplitst
hij had opgesplitst
wij hadden opgesplitst
jullie hadden opgesplitst
zij hadden opgesplitst
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal opsplitsen
jij zult opsplitsen
hij zal opsplitsen
wij zullen opsplitsen
jullie zullen opsplitsen
zij zullen opsplitsen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal opgesplitst hebben
jij zult opgesplitst hebben
hij zal opgesplitst hebben
wij zullen opgesplitst hebben
jullie zullen opgesplitst hebben
zij zullen opgesplitst hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou opsplitsen
jij zou opsplitsen
hij zou opsplitsen
wij zouden opsplitsen
jullie zouden opsplitsen
zij zouden opsplitsen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou opgesplitst hebben
jij zou opgesplitst hebben
hij zou opgesplitst hebben
wij zouden opgesplitst hebben
jullie zouden opgesplitst hebben
zij zouden opgesplitst hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
splits op

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/opsplitsen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English