NL: opschuivenSynoniemen: uitstellen, vooruitschuiven, voorschuiven, duwen, vertragen, verschuiven, rekken, opschorten, verzetten, verplaatsen
DE: opschuiven (plaats maken): versetzen, verschieben, umstellen, verstellen, verlegen, rücken, setzen, zusammenrücken, sichversetzen, verrücken, einrücken, aufrücken, zur Seite rücken
EN: opschuiven (plaats maken): move over
FR: opschuiven (plaats maken): déplacer, pousser, repousser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgeschoven
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schuif op jij schuift op hij schuift op wij schuiven op jullie schuiven op zij schuiven op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgeschoven jij hebt opgeschoven hij heeft opgeschoven wij hebben opgeschoven jullie hebben opgeschoven zij hebben opgeschoven
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schoof op jij schoof op hij schoof op wij schoven op jullie schoven op zij schoven op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgeschoven jij had opgeschoven hij had opgeschoven wij hadden opgeschoven jullie hadden opgeschoven zij hadden opgeschoven
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opschuiven jij zult opschuiven hij zal opschuiven wij zullen opschuiven jullie zullen opschuiven zij zullen opschuiven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgeschoven hebben jij zult opgeschoven hebben hij zal opgeschoven hebben wij zullen opgeschoven hebben jullie zullen opgeschoven hebben zij zullen opgeschoven hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opschuiven jij zou opschuiven hij zou opschuiven wij zouden opschuiven jullie zouden opschuiven zij zouden opschuiven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgeschoven hebben jij zou opgeschoven hebben hij zou opgeschoven hebben wij zouden opgeschoven hebben jullie zouden opgeschoven hebben zij zouden opgeschoven hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schuif op
|