NL: opruienSynoniemen: aanstoken, aanwakkeren, aanzetten, opfokken, ophitsen, opjutten, opstoken, poken, schudden, opwinden, agiteren
DE: aufpeitschen, aufhetzen, aufstacheln, aufwiegeln, aufputschen
EN: instigate, incite, stir up, bait
FR: inciter, énerver, allumer, ameuter, exciter, semer la discorde
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgeruid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik rui op jij ruit op hij ruit op wij ruien op jullie ruien op zij ruien op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgeruid jij hebt opgeruid hij heeft opgeruid wij hebben opgeruid jullie hebben opgeruid zij hebben opgeruid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ruide op jij ruide op hij ruide op wij ruiden op jullie ruiden op zij ruiden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgeruid jij had opgeruid hij had opgeruid wij hadden opgeruid jullie hadden opgeruid zij hadden opgeruid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opruien jij zult opruien hij zal opruien wij zullen opruien jullie zullen opruien zij zullen opruien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgeruid hebben jij zult opgeruid hebben hij zal opgeruid hebben wij zullen opgeruid hebben jullie zullen opgeruid hebben zij zullen opgeruid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opruien jij zou opruien hij zou opruien wij zouden opruien jullie zouden opruien zij zouden opruien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgeruid hebben jij zou opgeruid hebben hij zou opgeruid hebben wij zouden opgeruid hebben jullie zouden opgeruid hebben zij zouden opgeruid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
rui op
|