NL: oprichtenSynoniemen: grondvesten, opzetten, overeind zetten, overeindzetten, stichten, invoeren, instellen, optrekken
DE: oprichten (stichten): errichten, gründen
EN: oprichten (stichten): establish, found, raise, ground, tune, lay the foundations
ES: oprichten (stichten): establecer, fundar, constituir
FR: oprichten (stichten): fonder, établir, instaurer, dresser, ériger, élever, édifier
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgericht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik richt op jij richt op hij richt op wij richten op jullie richten op zij richten op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgericht jij hebt opgericht hij heeft opgericht wij hebben opgericht jullie hebben opgericht zij hebben opgericht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik richtte op jij richtte op hij richtte op wij richtten op jullie richtten op zij richtten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgericht jij had opgericht hij had opgericht wij hadden opgericht jullie hadden opgericht zij hadden opgericht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal oprichten jij zult oprichten hij zal oprichten wij zullen oprichten jullie zullen oprichten zij zullen oprichten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgericht hebben jij zult opgericht hebben hij zal opgericht hebben wij zullen opgericht hebben jullie zullen opgericht hebben zij zullen opgericht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou oprichten jij zou oprichten hij zou oprichten wij zouden oprichten jullie zouden oprichten zij zouden oprichten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgericht hebben jij zou opgericht hebben hij zou opgericht hebben wij zouden opgericht hebben jullie zouden opgericht hebben zij zouden opgericht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
richt op
|