NL: oprekkenSynoniemen: rekken
DE: dehnen, ausweiten
EN: stretch
ES: estirar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgerekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik rek op jij rekt op hij rekt op wij rekken op jullie rekken op zij rekken op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgerekt jij hebt opgerekt hij heeft opgerekt wij hebben opgerekt jullie hebben opgerekt zij hebben opgerekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik rekte op jij rekte op hij rekte op wij rekten op jullie rekten op zij rekten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgerekt jij had opgerekt hij had opgerekt wij hadden opgerekt jullie hadden opgerekt zij hadden opgerekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal oprekken jij zult oprekken hij zal oprekken wij zullen oprekken jullie zullen oprekken zij zullen oprekken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgerekt hebben jij zult opgerekt hebben hij zal opgerekt hebben wij zullen opgerekt hebben jullie zullen opgerekt hebben zij zullen opgerekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou oprekken jij zou oprekken hij zou oprekken wij zouden oprekken jullie zouden oprekken zij zouden oprekken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgerekt hebben jij zou opgerekt hebben hij zou opgerekt hebben wij zouden opgerekt hebben jullie zouden opgerekt hebben zij zouden opgerekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
rek op
|