NL: oppeppenSynoniemen: bemoedigen, stimuleren, opwekken, bezielen, activeren, aanmoedigen
DE: oppeppen (stimuleren): anregen, wecken, beleben, aktivieren, hervorrufen, neubeleben
EN: oppeppen (stimuleren): encourage, arouse, stimulate, activate, excite, support, awake
FR: oppeppen (stimuleren): enflammer, vivifier, stimuler, animer, activer, raviver
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgepept
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pep op jij pept op hij pept op wij peppen op jullie peppen op zij peppen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgepept jij hebt opgepept hij heeft opgepept wij hebben opgepept jullie hebben opgepept zij hebben opgepept
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pepte op jij pepte op hij pepte op wij pepten op jullie pepten op zij pepten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgepept jij had opgepept hij had opgepept wij hadden opgepept jullie hadden opgepept zij hadden opgepept
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal oppeppen jij zult oppeppen hij zal oppeppen wij zullen oppeppen jullie zullen oppeppen zij zullen oppeppen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgepept hebben jij zult opgepept hebben hij zal opgepept hebben wij zullen opgepept hebben jullie zullen opgepept hebben zij zullen opgepept hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou oppeppen jij zou oppeppen hij zou oppeppen wij zouden oppeppen jullie zouden oppeppen zij zouden oppeppen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgepept hebben jij zou opgepept hebben hij zou opgepept hebben wij zouden opgepept hebben jullie zouden opgepept hebben zij zouden opgepept hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pep op
|