NL: opmetenSynoniemen: afmeten, opnemen, peilen, meten
DE: opmeten (diepte bepalen): loten, Tiefe peilen
EN: opmeten (diepte bepalen): measure, gauge
ES: opmeten (diepte bepalen): medir, comprobar, sondear, calibrar, sondrar, escandallar
FR: opmeten (diepte bepalen): mesurer, sonder, arpenter, jauger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgemeten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik meet op jij meet op hij meet op wij meten op jullie meten op zij meten op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgemeten jij hebt opgemeten hij heeft opgemeten wij hebben opgemeten jullie hebben opgemeten zij hebben opgemeten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik mat op jij mat op hij mat op wij maten op jullie maten op zij maten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgemeten jij had opgemeten hij had opgemeten wij hadden opgemeten jullie hadden opgemeten zij hadden opgemeten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opmeten jij zult opmeten hij zal opmeten wij zullen opmeten jullie zullen opmeten zij zullen opmeten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgemeten hebben jij zult opgemeten hebben hij zal opgemeten hebben wij zullen opgemeten hebben jullie zullen opgemeten hebben zij zullen opgemeten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opmeten jij zou opmeten hij zou opmeten wij zouden opmeten jullie zouden opmeten zij zouden opmeten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgemeten hebben jij zou opgemeten hebben hij zou opgemeten hebben wij zouden opgemeten hebben jullie zouden opgemeten hebben zij zouden opgemeten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
meet op
|