NL: oplossenSynoniemen: beëindigen, berekenen, ontrafelen, ontwarren, verdwijnen, ontcijferen, ontraadselen, ontknopen
DE: auflösen, lösen, teilen, herausbringen, ausknobeln, ausklügeln, entziffern, entwirren, aufknöpfen, deuten
EN: solve, unravel
ES: resolver, solucionar, disolver, descifrar, desembrollar, desenmarañar, desenredar, disolverse, desleír
FR: résoudre, découvrir, dénouer, déchiffrer, décrypter, démêler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgelost
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik los op jij lost op hij lost op wij lossen op jullie lossen op zij lossen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgelost jij hebt opgelost hij heeft opgelost wij hebben opgelost jullie hebben opgelost zij hebben opgelost
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik loste op jij loste op hij loste op wij losten op jullie losten op zij losten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgelost jij had opgelost hij had opgelost wij hadden opgelost jullie hadden opgelost zij hadden opgelost
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal oplossen jij zult oplossen hij zal oplossen wij zullen oplossen jullie zullen oplossen zij zullen oplossen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgelost hebben jij zult opgelost hebben hij zal opgelost hebben wij zullen opgelost hebben jullie zullen opgelost hebben zij zullen opgelost hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou oplossen jij zou oplossen hij zou oplossen wij zouden oplossen jullie zouden oplossen zij zouden oplossen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgelost hebben jij zou opgelost hebben hij zou opgelost hebben wij zouden opgelost hebben jullie zouden opgelost hebben zij zouden opgelost hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
los op
|