NL: oplappenSynoniemen: lappen, opkalefateren, repareren, sleutelen, dokteren, opvijzelen, opknappen
DE: das Doktoren
EN: the practise, the tinker at, the doctoring
FR: le pratiquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgelapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik lap op jij lapt op hij lapt op wij lappen op jullie lappen op zij lappen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgelapt jij hebt opgelapt hij heeft opgelapt wij hebben opgelapt jullie hebben opgelapt zij hebben opgelapt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik lapte op jij lapte op hij lapte op wij lapten op jullie lapten op zij lapten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgelapt jij had opgelapt hij had opgelapt wij hadden opgelapt jullie hadden opgelapt zij hadden opgelapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal oplappen jij zult oplappen hij zal oplappen wij zullen oplappen jullie zullen oplappen zij zullen oplappen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgelapt hebben jij zult opgelapt hebben hij zal opgelapt hebben wij zullen opgelapt hebben jullie zullen opgelapt hebben zij zullen opgelapt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou oplappen jij zou oplappen hij zou oplappen wij zouden oplappen jullie zouden oplappen zij zouden oplappen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgelapt hebben jij zou opgelapt hebben hij zou opgelapt hebben wij zouden opgelapt hebben jullie zouden opgelapt hebben zij zouden opgelapt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
lap op
|