NL: opklarenSynoniemen: opfleuren, ophelderen, oplichten, verduidelijken, verklaren, uitleggen, toelichten, verhelderen, belichten, accentueren
DE: opklaren (begrijpelijk maken): erklären, auseinandersetzen, erläutern, aufklären, begreiflich machen, deuten
EN: opklaren (begrijpelijk maken): make something clear, make something accessible
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgeklaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik klaar op jij klaart op hij klaart op wij klaren op jullie klaren op zij klaren op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgeklaard jij hebt opgeklaard hij heeft opgeklaard wij hebben opgeklaard jullie hebben opgeklaard zij hebben opgeklaard
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik klaarde op jij klaarde op hij klaarde op wij klaarden op jullie klaarden op zij klaarden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgeklaard jij had opgeklaard hij had opgeklaard wij hadden opgeklaard jullie hadden opgeklaard zij hadden opgeklaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opklaren jij zult opklaren hij zal opklaren wij zullen opklaren jullie zullen opklaren zij zullen opklaren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgeklaard hebben jij zult opgeklaard hebben hij zal opgeklaard hebben wij zullen opgeklaard hebben jullie zullen opgeklaard hebben zij zullen opgeklaard hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opklaren jij zou opklaren hij zou opklaren wij zouden opklaren jullie zouden opklaren zij zouden opklaren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgeklaard hebben jij zou opgeklaard hebben hij zou opgeklaard hebben wij zouden opgeklaard hebben jullie zouden opgeklaard hebben zij zouden opgeklaard hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
klaar op
|