NL: opjagenSynoniemen: aanzetten, achtervolgen, jachten, opdrijven, ophitsen, voortdrijven, drijven, aandrijven, voortjagen
DE: hochtreiben, auftreiben, anspornen, jagen, antreiben, hetzen, aufstacheln, aufhetzen, aufwirbeln, aufjagen, hochdrehen, aufscheuchen
EN: chase
ES: correr, impulsar, cazar, apresurar, rabiar
FR: presser, chasser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgejaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik jaag op jij jaagt op hij jaagt op wij jagen op jullie jagen op zij jagen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgejaagd jij hebt opgejaagd hij heeft opgejaagd wij hebben opgejaagd jullie hebben opgejaagd zij hebben opgejaagd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik joeg op jij joeg op hij joeg op wij joegen op jullie joegen op zij joegen op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgejaagd jij had opgejaagd hij had opgejaagd wij hadden opgejaagd jullie hadden opgejaagd zij hadden opgejaagd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opjagen jij zult opjagen hij zal opjagen wij zullen opjagen jullie zullen opjagen zij zullen opjagen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgejaagd hebben jij zult opgejaagd hebben hij zal opgejaagd hebben wij zullen opgejaagd hebben jullie zullen opgejaagd hebben zij zullen opgejaagd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opjagen jij zou opjagen hij zou opjagen wij zouden opjagen jullie zouden opjagen zij zouden opjagen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgejaagd hebben jij zou opgejaagd hebben hij zou opgejaagd hebben wij zouden opgejaagd hebben jullie zouden opgejaagd hebben zij zouden opgejaagd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
jaag op
|