NL: opheffenSynoniemen: ontkrachten, opdoeken, optillen, verbreken, beëindigen, herroepen, opwinden, oprollen, omwikkelen, liquideren, inzwachtelen, inbakeren, baken, afwikkelen, verdelgen, uitroeien, solveren, verbrijzelen, stukmaken, ontbinden, forceren, afbreken, opheffing,
DE: opheffen (omhoog heffen): aufholen, hochheben, aufbringen, emporheben, aufziehen, hochziehen
EN: opheffen (omhoog heffen): raise, lift, heave, lift up
ES: opheffen (omhoog heffen): alzar, elevar, levantar
FR: opheffen (omhoog heffen): lever, soulever, hisser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgeheven
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hef op jij heft op hij heft op wij heffen op jullie heffen op zij heffen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgeheven jij hebt opgeheven hij heeft opgeheven wij hebben opgeheven jullie hebben opgeheven zij hebben opgeheven
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hief op jij hief op hij hief op wij hieven op jullie hieven op zij hieven op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgeheven jij had opgeheven hij had opgeheven wij hadden opgeheven jullie hadden opgeheven zij hadden opgeheven
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opheffen jij zult opheffen hij zal opheffen wij zullen opheffen jullie zullen opheffen zij zullen opheffen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgeheven hebben jij zult opgeheven hebben hij zal opgeheven hebben wij zullen opgeheven hebben jullie zullen opgeheven hebben zij zullen opgeheven hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opheffen jij zou opheffen hij zou opheffen wij zouden opheffen jullie zouden opheffen zij zouden opheffen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgeheven hebben jij zou opgeheven hebben hij zou opgeheven hebben wij zouden opgeheven hebben jullie zouden opgeheven hebben zij zouden opgeheven hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hef op
|