NL: opgroeienSynoniemen: groeien, uitgroeien
DE: wachsen, aufwachsen, heranwachsen
EN: grow, grow up, rise, develop
ES: crecer, criarse
FR: grandir, croître, pousser, dominer, s'envoler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgegroeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik groei op jij groeit op hij groeit op wij groeien op jullie groeien op zij groeien op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben opgegroeid jij bent opgegroeid hij is opgegroeid wij zijn opgegroeid jullie zijn opgegroeid zij zijn opgegroeid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik groeide op jij groeide op hij groeide op wij groeiden op jullie groeiden op zij groeiden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was opgegroeid jij was opgegroeid hij was opgegroeid wij waren opgegroeid jullie waren opgegroeid zij waren opgegroeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opgroeien jij zult opgroeien hij zal opgroeien wij zullen opgroeien jullie zullen opgroeien zij zullen opgroeien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgegroeid zijn jij zult opgegroeid zijn hij zal opgegroeid zijn wij zullen opgegroeid zijn jullie zullen opgegroeid zijn zij zullen opgegroeid zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opgroeien jij zou opgroeien hij zou opgroeien wij zouden opgroeien jullie zouden opgroeien zij zouden opgroeien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgegroeid zijn jij zou opgegroeid zijn hij zou opgegroeid zijn wij zouden opgegroeid zijn jullie zouden opgegroeid zijn zij zouden opgegroeid zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
groei op
|