NL: opgaanSynoniemen: kloppen, rijzen, vervuld zijn, wassen, verrijzen, stijgen, opstaan, opkomen, klimmen, bestijgen, uitkomen
DE: steigen, aufsteigen, hinaufgehen
EN: ascend, go up, climb
ES: subir
FR: monter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ga op jij gaat op hij gaat op wij gaan op jullie gaan op zij gaan op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben opgegaan jij bent opgegaan hij is opgegaan wij zijn opgegaan jullie zijn opgegaan zij zijn opgegaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ging op jij ging op hij ging op wij gingen op jullie gingen op zij gingen op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was opgegaan jij was opgegaan hij was opgegaan wij waren opgegaan jullie waren opgegaan zij waren opgegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opgaan jij zult opgaan hij zal opgaan wij zullen opgaan jullie zullen opgaan zij zullen opgaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgegaan zijn jij zult opgegaan zijn hij zal opgegaan zijn wij zullen opgegaan zijn jullie zullen opgegaan zijn zij zullen opgegaan zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opgaan jij zou opgaan hij zou opgaan wij zouden opgaan jullie zouden opgaan zij zouden opgaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgegaan zijn jij zou opgegaan zijn hij zou opgegaan zijn wij zouden opgegaan zijn jullie zouden opgegaan zijn zij zouden opgegaan zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ga op
|