NL: opfrissenSynoniemen: luchten, ophalen, verfrissen, verlevendigen, verkwikken, verkoelen
DE: erfrischen, abkühlen, sich erholen, auffrischen, aufmöbeln
EN: freshen up, refresh, tidy up, freshen
ES: sanar, arreglarse un poco, darse un refrescón, refrescar, enfriar, amenizar, enfriarse, refrigerar
FR: rafraîchir, se rafraîchir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgefrist
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fris op jij frist op hij frist op wij frissen op jullie frissen op zij frissen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgefrist jij hebt opgefrist hij heeft opgefrist wij hebben opgefrist jullie hebben opgefrist zij hebben opgefrist
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik friste op jij friste op hij friste op wij fristen op jullie fristen op zij fristen op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgefrist jij had opgefrist hij had opgefrist wij hadden opgefrist jullie hadden opgefrist zij hadden opgefrist
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opfrissen jij zult opfrissen hij zal opfrissen wij zullen opfrissen jullie zullen opfrissen zij zullen opfrissen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgefrist hebben jij zult opgefrist hebben hij zal opgefrist hebben wij zullen opgefrist hebben jullie zullen opgefrist hebben zij zullen opgefrist hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opfrissen jij zou opfrissen hij zou opfrissen wij zouden opfrissen jullie zouden opfrissen zij zouden opfrissen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgefrist hebben jij zou opgefrist hebben hij zou opgefrist hebben wij zouden opgefrist hebben jullie zouden opgefrist hebben zij zouden opgefrist hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fris op
|