NL: opfleurenSynoniemen: opbloeien, opmonteren, verkwikken, ontplooien
EN: opfleuren (fleurig maken): brighten up, liven up, cheer up
ES: opfleuren (fleurig maken): distraer, animar, refrescar, añadirse
FR: opfleuren (fleurig maken): raviver, remonter le moral à, reprendre des forces, rafraîchir, se remettre, ragaillardir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgefleurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik fleur op jij fleurt op hij fleurt op wij fleuren op jullie fleuren op zij fleuren op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgefleurd jij hebt opgefleurd hij heeft opgefleurd wij hebben opgefleurd jullie hebben opgefleurd zij hebben opgefleurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik fleurde op jij fleurde op hij fleurde op wij fleurden op jullie fleurden op zij fleurden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgefleurd jij had opgefleurd hij had opgefleurd wij hadden opgefleurd jullie hadden opgefleurd zij hadden opgefleurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opfleuren jij zult opfleuren hij zal opfleuren wij zullen opfleuren jullie zullen opfleuren zij zullen opfleuren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgefleurd hebben jij zult opgefleurd hebben hij zal opgefleurd hebben wij zullen opgefleurd hebben jullie zullen opgefleurd hebben zij zullen opgefleurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opfleuren jij zou opfleuren hij zou opfleuren wij zouden opfleuren jullie zouden opfleuren zij zouden opfleuren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgefleurd hebben jij zou opgefleurd hebben hij zou opgefleurd hebben wij zouden opgefleurd hebben jullie zouden opgefleurd hebben zij zouden opgefleurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
fleur op
|