NL: opeenhopenSynoniemen: accumuleren, bijeenzamelen, hopen, opstapelen, cumuleren, stapelen, verzamelen, vergaren, sparen, oppotten
DE: anhäufen, zusammendrängen, sammeln, ansammeln, aufhäufen, stapeln
EN: accumulate, pile up, mount up, heap up
ES: acumular, amontonar, apilar, acumularse, amontonarse
FR: cumuler, accumuler, amonceler, entasser, empiler, superposer, amasser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opeengehoopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hoop opeen jij hoopt opeen hij hoopt opeen wij hopen opeen jullie hopen opeen zij hopen opeen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opeengehoopt jij hebt opeengehoopt hij heeft opeengehoopt wij hebben opeengehoopt jullie hebben opeengehoopt zij hebben opeengehoopt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hoopte opeen jij hoopte opeen hij hoopte opeen wij hoopten opeen jullie hoopten opeen zij hoopten opeen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opeengehoopt jij had opeengehoopt hij had opeengehoopt wij hadden opeengehoopt jullie hadden opeengehoopt zij hadden opeengehoopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opeenhopen jij zult opeenhopen hij zal opeenhopen wij zullen opeenhopen jullie zullen opeenhopen zij zullen opeenhopen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opeengehoopt hebben jij zult opeengehoopt hebben hij zal opeengehoopt hebben wij zullen opeengehoopt hebben jullie zullen opeengehoopt hebben zij zullen opeengehoopt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opeenhopen jij zou opeenhopen hij zou opeenhopen wij zouden opeenhopen jullie zouden opeenhopen zij zouden opeenhopen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opeengehoopt hebben jij zou opeengehoopt hebben hij zou opeengehoopt hebben wij zouden opeengehoopt hebben jullie zouden opeengehoopt hebben zij zouden opeengehoopt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hoop opeen
|