NL: opdraaienSynoniemen: betalen, omhoogdraaien, opwinden
DE: opdraaien (omhoogdraaien): aufdrehen, aufrollen, aufwickeln, aufwinden, eindrehen, hochschrauben, hochdrehen, hinaufdrehen, hinaufschrauben
EN: opdraaien (omhoogdraaien): turn up
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgedraaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik draai op jij draait op hij draait op wij draaien op jullie draaien op zij draaien op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgedraaid jij hebt opgedraaid hij heeft opgedraaid wij hebben opgedraaid jullie hebben opgedraaid zij hebben opgedraaid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik draaide op jij draaide op hij draaide op wij draaiden op jullie draaiden op zij draaiden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgedraaid jij had opgedraaid hij had opgedraaid wij hadden opgedraaid jullie hadden opgedraaid zij hadden opgedraaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opdraaien jij zult opdraaien hij zal opdraaien wij zullen opdraaien jullie zullen opdraaien zij zullen opdraaien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgedraaid hebben jij zult opgedraaid hebben hij zal opgedraaid hebben wij zullen opgedraaid hebben jullie zullen opgedraaid hebben zij zullen opgedraaid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opdraaien jij zou opdraaien hij zou opdraaien wij zouden opdraaien jullie zouden opdraaien zij zouden opdraaien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgedraaid hebben jij zou opgedraaid hebben hij zou opgedraaid hebben wij zouden opgedraaid hebben jullie zouden opgedraaid hebben zij zouden opgedraaid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
draai op
|