NL: opdoemenSynoniemen: opdagen, verrijzen
EN: appear, loom up
FR: apparaître, surgir, emerger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgedoemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doem op jij doemt op hij doemt op wij doemen op jullie doemen op zij doemen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgedoemd jij hebt opgedoemd hij heeft opgedoemd wij hebben opgedoemd jullie hebben opgedoemd zij hebben opgedoemd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik doemde op jij doemde op hij doemde op wij doemden op jullie doemden op zij doemden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgedoemd jij had opgedoemd hij had opgedoemd wij hadden opgedoemd jullie hadden opgedoemd zij hadden opgedoemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opdoemen jij zult opdoemen hij zal opdoemen wij zullen opdoemen jullie zullen opdoemen zij zullen opdoemen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgedoemd hebben jij zult opgedoemd hebben hij zal opgedoemd hebben wij zullen opgedoemd hebben jullie zullen opgedoemd hebben zij zullen opgedoemd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opdoemen jij zou opdoemen hij zou opdoemen wij zouden opdoemen jullie zouden opdoemen zij zouden opdoemen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgedoemd hebben jij zou opgedoemd hebben hij zou opgedoemd hebben wij zouden opgedoemd hebben jullie zouden opgedoemd hebben zij zouden opgedoemd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doem op
|