NL: opdelenSynoniemen: delen, opsplitsen, verdelen, splitsen
DE: opdelen (opsplitsen): teilen, aufteilen, gliedern, scheiden, dividieren, trennen, aufgliedern
EN: opdelen (opsplitsen): split up, seperate, itemize
FR: opdelen (opsplitsen): diviser, subdiviser, répartir, séparer, fendre, dissocier
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgedeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik deel op jij deelt op hij deelt op wij delen op jullie delen op zij delen op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgedeeld jij hebt opgedeeld hij heeft opgedeeld wij hebben opgedeeld jullie hebben opgedeeld zij hebben opgedeeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik deelde op jij deelde op hij deelde op wij deelden op jullie deelden op zij deelden op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgedeeld jij had opgedeeld hij had opgedeeld wij hadden opgedeeld jullie hadden opgedeeld zij hadden opgedeeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opdelen jij zult opdelen hij zal opdelen wij zullen opdelen jullie zullen opdelen zij zullen opdelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgedeeld hebben jij zult opgedeeld hebben hij zal opgedeeld hebben wij zullen opgedeeld hebben jullie zullen opgedeeld hebben zij zullen opgedeeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opdelen jij zou opdelen hij zou opdelen wij zouden opdelen jullie zouden opdelen zij zouden opdelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgedeeld hebben jij zou opgedeeld hebben hij zou opgedeeld hebben wij zouden opgedeeld hebben jullie zouden opgedeeld hebben zij zouden opgedeeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
deel op
|