NL: opbrekenSynoniemen: afbreken, beëindigen, bezuren, weggaan, vertrekken, opstappen, heengaan, gaan
DE: Sodbrennen haben
EN: suffer from heartburn
FR: supprimer, subdiviser, se désagréger, avoir de l'acide gastrique
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgebroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik breek op jij breekt op hij breekt op wij breken op jullie breken op zij breken op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgebroken jij hebt opgebroken hij heeft opgebroken wij hebben opgebroken jullie hebben opgebroken zij hebben opgebroken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik brak op jij brak op hij brak op wij braken op jullie braken op zij braken op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgebroken jij had opgebroken hij had opgebroken wij hadden opgebroken jullie hadden opgebroken zij hadden opgebroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opbreken jij zult opbreken hij zal opbreken wij zullen opbreken jullie zullen opbreken zij zullen opbreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgebroken hebben jij zult opgebroken hebben hij zal opgebroken hebben wij zullen opgebroken hebben jullie zullen opgebroken hebben zij zullen opgebroken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opbreken jij zou opbreken hij zou opbreken wij zouden opbreken jullie zouden opbreken zij zouden opbreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgebroken hebben jij zou opgebroken hebben hij zou opgebroken hebben wij zouden opgebroken hebben jullie zouden opgebroken hebben zij zouden opgebroken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
breek op
|