NL: opbiechtenSynoniemen: bekennen, biechten
EN: confess, unburden oneself, admit
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
opgebiecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik biecht op jij biecht op hij biecht op wij biechten op jullie biechten op zij biechten op
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb opgebiecht jij hebt opgebiecht hij heeft opgebiecht wij hebben opgebiecht jullie hebben opgebiecht zij hebben opgebiecht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik biechtte op jij biechtte op hij biechtte op wij biechtten op jullie biechtten op zij biechtten op
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had opgebiecht jij had opgebiecht hij had opgebiecht wij hadden opgebiecht jullie hadden opgebiecht zij hadden opgebiecht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal opbiechten jij zult opbiechten hij zal opbiechten wij zullen opbiechten jullie zullen opbiechten zij zullen opbiechten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal opgebiecht hebben jij zult opgebiecht hebben hij zal opgebiecht hebben wij zullen opgebiecht hebben jullie zullen opgebiecht hebben zij zullen opgebiecht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou opbiechten jij zou opbiechten hij zou opbiechten wij zouden opbiechten jullie zouden opbiechten zij zouden opbiechten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou opgebiecht hebben jij zou opgebiecht hebben hij zou opgebiecht hebben wij zouden opgebiecht hebben jullie zouden opgebiecht hebben zij zouden opgebiecht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
biecht op
|