NL: ontvluchtenSynoniemen: ontglippen, ontkomen, vluchten, weglopen, wegvluchten, uitwijken, ontsnappen, wegrennen, wegkomen
DE: flüchten, fliehen, fortrennen, entfliehen, entwischen, ausbrechen, durchbrennen, aussteigen, ausreißen, davoneilen
EN: escape, elude, break away, get away
FR: fuir, filer, partir en courant, réussir à sortir, s'enfuir, s'évader, s'échapper, ficher le camp, lever l'ancre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontvlucht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontvlucht jij ontvlucht hij ontvlucht wij ontvluchten jullie ontvluchten zij ontvluchten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben ontvlucht jij bent ontvlucht hij is ontvlucht wij zijn ontvlucht jullie zijn ontvlucht zij zijn ontvlucht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontvluchtte jij ontvluchtte hij ontvluchtte wij ontvluchtten jullie ontvluchtten zij ontvluchtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was ontvlucht jij was ontvlucht hij was ontvlucht wij waren ontvlucht jullie waren ontvlucht zij waren ontvlucht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontvluchten jij zult ontvluchten hij zal ontvluchten wij zullen ontvluchten jullie zullen ontvluchten zij zullen ontvluchten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontvlucht zijn jij zult ontvlucht zijn hij zal ontvlucht zijn wij zullen ontvlucht zijn jullie zullen ontvlucht zijn zij zullen ontvlucht zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontvluchten jij zou ontvluchten hij zou ontvluchten wij zouden ontvluchten jullie zouden ontvluchten zij zouden ontvluchten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontvlucht zijn jij zou ontvlucht zijn hij zou ontvlucht zijn wij zouden ontvlucht zijn jullie zouden ontvlucht zijn zij zouden ontvlucht zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontvlucht
|