NL: ontspringenSynoniemen: ontstaan, uitlopen, uitkomen, uitbotten, ontspruiten
EN: ontspringen (voortkomen uit): evolve out of, arise from, originate from, stem from
ES: ontspringen (voortkomen uit): derivar, resultar, proceder
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontsprongen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontspring jij ontspringt hij ontspringt wij ontspringen jullie ontspringen zij ontspringen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben ontsprongen jij bent ontsprongen hij is ontsprongen wij zijn ontsprongen jullie zijn ontsprongen zij zijn ontsprongen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontsprong jij ontsprong hij ontsprong wij ontsprongen jullie ontsprongen zij ontsprongen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was ontsprongen jij was ontsprongen hij was ontsprongen wij waren ontsprongen jullie waren ontsprongen zij waren ontsprongen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontspringen jij zult ontspringen hij zal ontspringen wij zullen ontspringen jullie zullen ontspringen zij zullen ontspringen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontsprongen zijn jij zult ontsprongen zijn hij zal ontsprongen zijn wij zullen ontsprongen zijn jullie zullen ontsprongen zijn zij zullen ontsprongen zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontspringen jij zou ontspringen hij zou ontspringen wij zouden ontspringen jullie zouden ontspringen zij zouden ontspringen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontsprongen zijn jij zou ontsprongen zijn hij zou ontsprongen zijn wij zouden ontsprongen zijn jullie zouden ontsprongen zijn zij zouden ontsprongen zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontspring
|