NL: ontmenselijken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontmenselijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontmenselijk jij ontmenselijkt hij ontmenselijkt wij ontmenselijken jullie ontmenselijken zij ontmenselijken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ontmenselijkt jij hebt ontmenselijkt hij heeft ontmenselijkt wij hebben ontmenselijkt jullie hebben ontmenselijkt zij hebben ontmenselijkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontmenselijkte jij ontmenselijkte hij ontmenselijkte wij ontmenselijkten jullie ontmenselijkten zij ontmenselijkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ontmenselijkt jij had ontmenselijkt hij had ontmenselijkt wij hadden ontmenselijkt jullie hadden ontmenselijkt zij hadden ontmenselijkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontmenselijken jij zult ontmenselijken hij zal ontmenselijken wij zullen ontmenselijken jullie zullen ontmenselijken zij zullen ontmenselijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontmenselijkt hebben jij zult ontmenselijkt hebben hij zal ontmenselijkt hebben wij zullen ontmenselijkt hebben jullie zullen ontmenselijkt hebben zij zullen ontmenselijkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontmenselijken jij zou ontmenselijken hij zou ontmenselijken wij zouden ontmenselijken jullie zouden ontmenselijken zij zouden ontmenselijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontmenselijkt hebben jij zou ontmenselijkt hebben hij zou ontmenselijkt hebben wij zouden ontmenselijkt hebben jullie zouden ontmenselijkt hebben zij zouden ontmenselijkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontmenselijk
|