NL: ontlokkenSynoniemen: lokken
DE: entlocken
EN: provoke, tease
ES: suscitar, excitar, soliviantar, provocar, desafiar
FR: provoquer, arracher, inciter à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontlokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontlok jij ontlokt hij ontlokt wij ontlokken jullie ontlokken zij ontlokken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ontlokt jij hebt ontlokt hij heeft ontlokt wij hebben ontlokt jullie hebben ontlokt zij hebben ontlokt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontlokte jij ontlokte hij ontlokte wij ontlokten jullie ontlokten zij ontlokten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ontlokt jij had ontlokt hij had ontlokt wij hadden ontlokt jullie hadden ontlokt zij hadden ontlokt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontlokken jij zult ontlokken hij zal ontlokken wij zullen ontlokken jullie zullen ontlokken zij zullen ontlokken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontlokt hebben jij zult ontlokt hebben hij zal ontlokt hebben wij zullen ontlokt hebben jullie zullen ontlokt hebben zij zullen ontlokt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontlokken jij zou ontlokken hij zou ontlokken wij zouden ontlokken jullie zouden ontlokken zij zouden ontlokken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontlokt hebben jij zou ontlokt hebben hij zou ontlokt hebben wij zouden ontlokt hebben jullie zouden ontlokt hebben zij zouden ontlokt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontlok
|