NL: ontheiligenSynoniemen: ontwijden, schenden,
DE: schänden, entwürdigen, entweihen, freveln, entehren
EN: desecrate, defile
ES: violar, profanar, deshonrar
FR: violer, profaner, calomnier, diffamer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontheiligd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontheilig jij ontheiligt hij ontheiligt wij ontheiligen jullie ontheiligen zij ontheiligen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ontheiligd jij hebt ontheiligd hij heeft ontheiligd wij hebben ontheiligd jullie hebben ontheiligd zij hebben ontheiligd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontheiligde jij ontheiligde hij ontheiligde wij ontheiligden jullie ontheiligden zij ontheiligden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ontheiligd jij had ontheiligd hij had ontheiligd wij hadden ontheiligd jullie hadden ontheiligd zij hadden ontheiligd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontheiligen jij zult ontheiligen hij zal ontheiligen wij zullen ontheiligen jullie zullen ontheiligen zij zullen ontheiligen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontheiligd hebben jij zult ontheiligd hebben hij zal ontheiligd hebben wij zullen ontheiligd hebben jullie zullen ontheiligd hebben zij zullen ontheiligd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontheiligen jij zou ontheiligen hij zou ontheiligen wij zouden ontheiligen jullie zouden ontheiligen zij zouden ontheiligen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontheiligd hebben jij zou ontheiligd hebben hij zou ontheiligd hebben wij zouden ontheiligd hebben jullie zouden ontheiligd hebben zij zouden ontheiligd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontheilig
|