NL: onterenSynoniemen: bevlekken, ontwijden, verkrachten
FR: violer, attaquer, diffamer, agresser, porter atteinte à, déshonorer, abuser de, faire violence
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
onteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik onteer jij onteert hij onteert wij onteren jullie onteren zij onteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb onteerd jij hebt onteerd hij heeft onteerd wij hebben onteerd jullie hebben onteerd zij hebben onteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik onteerde jij onteerde hij onteerde wij onteerden jullie onteerden zij onteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had onteerd jij had onteerd hij had onteerd wij hadden onteerd jullie hadden onteerd zij hadden onteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal onteren jij zult onteren hij zal onteren wij zullen onteren jullie zullen onteren zij zullen onteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal onteerd hebben jij zult onteerd hebben hij zal onteerd hebben wij zullen onteerd hebben jullie zullen onteerd hebben zij zullen onteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou onteren jij zou onteren hij zou onteren wij zouden onteren jullie zouden onteren zij zouden onteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou onteerd hebben jij zou onteerd hebben hij zou onteerd hebben wij zouden onteerd hebben jullie zouden onteerd hebben zij zouden onteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
onteer
|