NL: ontbrandenSynoniemen: losbarsten, ontvlammen, ontsteken
EN: ontbranden (vuur vatten): ignite, inflame, catch fire, burn loose, flare up, take fire
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontbrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontbrand jij ontbrandt hij ontbrandt wij ontbranden jullie ontbranden zij ontbranden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ontbrand jij hebt ontbrand hij heeft ontbrand wij hebben ontbrand jullie hebben ontbrand zij hebben ontbrand
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontbrandde jij ontbrandde hij ontbrandde wij ontbrandden jullie ontbrandden zij ontbrandden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ontbrand jij had ontbrand hij had ontbrand wij hadden ontbrand jullie hadden ontbrand zij hadden ontbrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontbranden jij zult ontbranden hij zal ontbranden wij zullen ontbranden jullie zullen ontbranden zij zullen ontbranden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontbrand hebben jij zult ontbrand hebben hij zal ontbrand hebben wij zullen ontbrand hebben jullie zullen ontbrand hebben zij zullen ontbrand hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontbranden jij zou ontbranden hij zou ontbranden wij zouden ontbranden jullie zouden ontbranden zij zouden ontbranden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontbrand hebben jij zou ontbrand hebben hij zou ontbrand hebben wij zouden ontbrand hebben jullie zouden ontbrand hebben zij zouden ontbrand hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontbrand
|