NL: ontbindenSynoniemen: ontleden, opheffen, verbreken, wegrotten, verbrijzelen, stukmaken, forceren, beëindigen, afbreken, uithalen, verteren, verrotten, vergaan, rotten
DE: ontbinden (uiteen doen gaan): aufheben, auflösen
EN: ontbinden (uiteen doen gaan): dissolve, melt away
ES: ontbinden (uiteen doen gaan): disolver, rescindir, descomponer, derretirse, disolverse
FR: ontbinden (uiteen doen gaan): résoudre, résilier, dissoudre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontbonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontbind jij ontbindt hij ontbindt wij ontbinden jullie ontbinden zij ontbinden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ontbonden jij hebt ontbonden hij heeft ontbonden wij hebben ontbonden jullie hebben ontbonden zij hebben ontbonden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontbond jij ontbond hij ontbond wij ontbonden jullie ontbonden zij ontbonden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ontbonden jij had ontbonden hij had ontbonden wij hadden ontbonden jullie hadden ontbonden zij hadden ontbonden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontbinden jij zult ontbinden hij zal ontbinden wij zullen ontbinden jullie zullen ontbinden zij zullen ontbinden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontbonden hebben jij zult ontbonden hebben hij zal ontbonden hebben wij zullen ontbonden hebben jullie zullen ontbonden hebben zij zullen ontbonden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontbinden jij zou ontbinden hij zou ontbinden wij zouden ontbinden jullie zouden ontbinden zij zouden ontbinden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontbonden hebben jij zou ontbonden hebben hij zou ontbonden hebben wij zouden ontbonden hebben jullie zouden ontbonden hebben zij zouden ontbonden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontbind
|