NL: ontberenSynoniemen: derven,
DE: vermissen, entbehren
EN: lack
ES: prescindir de
FR: manquer, être privé de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ontbeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ontbeer jij ontbeert hij ontbeert wij ontberen jullie ontberen zij ontberen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ontbeerd jij hebt ontbeerd hij heeft ontbeerd wij hebben ontbeerd jullie hebben ontbeerd zij hebben ontbeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ontbeerde jij ontbeerde hij ontbeerde wij ontbeerden jullie ontbeerden zij ontbeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ontbeerd jij had ontbeerd hij had ontbeerd wij hadden ontbeerd jullie hadden ontbeerd zij hadden ontbeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ontberen jij zult ontberen hij zal ontberen wij zullen ontberen jullie zullen ontberen zij zullen ontberen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ontbeerd hebben jij zult ontbeerd hebben hij zal ontbeerd hebben wij zullen ontbeerd hebben jullie zullen ontbeerd hebben zij zullen ontbeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ontberen jij zou ontberen hij zou ontberen wij zouden ontberen jullie zouden ontberen zij zouden ontberen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ontbeerd hebben jij zou ontbeerd hebben hij zou ontbeerd hebben wij zouden ontbeerd hebben jullie zouden ontbeerd hebben zij zouden ontbeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ontbeer
|