NL: onderhandelenSynoniemen: beraadslagen, marchanderen, sjacheren, pingelen, afpingelen, afdingen, verrichten
DE: onderhandelen (marchanderen): herunterhandeln, feilschen, handeln, abhandeln, abfeilschen
EN: onderhandelen (marchanderen): negotiate, bargain, mediate, haggle
ES: onderhandelen (marchanderen): negociar, regatear
FR: onderhandelen (marchanderen): négocier, rabattre, marchander, servir de médiateur dans
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
onderhandeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik onderhandel jij onderhandelt hij onderhandelt wij onderhandelen jullie onderhandelen zij onderhandelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb onderhandeld jij hebt onderhandeld hij heeft onderhandeld wij hebben onderhandeld jullie hebben onderhandeld zij hebben onderhandeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik onderhandelde jij onderhandelde hij onderhandelde wij onderhandelden jullie onderhandelden zij onderhandelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had onderhandeld jij had onderhandeld hij had onderhandeld wij hadden onderhandeld jullie hadden onderhandeld zij hadden onderhandeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal onderhandelen jij zult onderhandelen hij zal onderhandelen wij zullen onderhandelen jullie zullen onderhandelen zij zullen onderhandelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal onderhandeld hebben jij zult onderhandeld hebben hij zal onderhandeld hebben wij zullen onderhandeld hebben jullie zullen onderhandeld hebben zij zullen onderhandeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou onderhandelen jij zou onderhandelen hij zou onderhandelen wij zouden onderhandelen jullie zouden onderhandelen zij zouden onderhandelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou onderhandeld hebben jij zou onderhandeld hebben hij zou onderhandeld hebben wij zouden onderhandeld hebben jullie zouden onderhandeld hebben zij zouden onderhandeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
onderhandel
|