NL: omkledenSynoniemen: bekleden, inkleden, verkleden
DE: omkleden (andere kleren aantrekken): umkleiden, umziehen, verkleiden, hüllen
EN: omkleden (andere kleren aantrekken): change, put other clothes on
ES: omkleden (andere kleren aantrekken): disfrazarse, cambiar de ropa, cambiarse de ropa
FR: omkleden (andere kleren aantrekken): déguiser, se changer, revêtir, changer d'habits
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
omgekleed
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kleed om jij kleedt om hij kleedt om wij kleden om jullie kleden om zij kleden om
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb omgekleed jij hebt omgekleed hij heeft omgekleed wij hebben omgekleed jullie hebben omgekleed zij hebben omgekleed
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kleedde om jij kleedde om hij kleedde om wij kleedden om jullie kleedden om zij kleedden om
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had omgekleed jij had omgekleed hij had omgekleed wij hadden omgekleed jullie hadden omgekleed zij hadden omgekleed
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal omkleden jij zult omkleden hij zal omkleden wij zullen omkleden jullie zullen omkleden zij zullen omkleden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal omgekleed hebben jij zult omgekleed hebben hij zal omgekleed hebben wij zullen omgekleed hebben jullie zullen omgekleed hebben zij zullen omgekleed hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou omkleden jij zou omkleden hij zou omkleden wij zouden omkleden jullie zouden omkleden zij zouden omkleden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou omgekleed hebben jij zou omgekleed hebben hij zou omgekleed hebben wij zouden omgekleed hebben jullie zouden omgekleed hebben zij zouden omgekleed hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kleed om
|