NL: officiëren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geofficieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik officieer jij officieert hij officieert wij officiëren jullie officiëren zij officiëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geofficieerd jij hebt geofficieerd hij heeft geofficieerd wij hebben geofficieerd jullie hebben geofficieerd zij hebben geofficieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik officieerde jij officieerde hij officieerde wij officieerden jullie officieerden zij officieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geofficieerd jij had geofficieerd hij had geofficieerd wij hadden geofficieerd jullie hadden geofficieerd zij hadden geofficieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal officiëren jij zult officiëren hij zal officiëren wij zullen officiëren jullie zullen officiëren zij zullen officiëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geofficieerd hebben jij zult geofficieerd hebben hij zal geofficieerd hebben wij zullen geofficieerd hebben jullie zullen geofficieerd hebben zij zullen geofficieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou officiëren jij zou officiëren hij zou officiëren wij zouden officiëren jullie zouden officiëren zij zouden officiëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geofficieerd hebben jij zou geofficieerd hebben hij zou geofficieerd hebben wij zouden geofficieerd hebben jullie zouden geofficieerd hebben zij zouden geofficieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
officieer
|