MWB Online woordenboek
 

Vertalen

Woorden (Hoofdpagina)
Tekst
Vaakst vertaald

Ontspanning

Puzzelwoorden
Woordspellen
Rijmwoordenboek

Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

Spelling

Spellingalfabet
Goed en Fout
Spellingcontrole

Varia

Dialecten
Encyclopedie
Symbolen en ALT-codes
Tellen in andere talen
Themawoordenboeken
This site in English

Taalportalen

NL | DE | EN | ES | FR

De website

Partners | Contact | Privacy

Vervoegen: offenlassen

DE: offenlassen

DE: offenlassen
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
offengelassen
offenlassend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich lasse offen
du läßt offen
er läßt offen
wir lassen offen
ihr laßt offen
sie; Sie lassen offen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe offengelassen
du hast offengelassen
er hat offengelassen
wir haben offengelassen
ihr habt offengelassen
sie; Sie haben offengelassen
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich ließ offen
du ließest offen
er ließ offen
wir ließen offen
ihr ließt offen
sie; Sie ließen offen
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte offengelassen
du hattest offengelassen
er hatte offengelassen
wir hatten offengelassen
ihr hattet offengelassen
sie; Sie hatten offengelassen
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde offenlassen
du wirst offenlassen
er wird offenlassen
wir werden offenlassen
ihr werdet offenlassen
sie; Sie werden offenlassen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde offengelassen haben
du wirst offengelassen haben
er wird offengelassen haben
wir werden offengelassen haben
ihr werdet offengelassen haben
sie; Sie werden offengelassen haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich lasse offen
du lassest offen
er lasse offen
wir lassen offen
ihr lasset offen
sie; Sie lassen offen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe offengelassen
du habest offengelassen
er habe offengelassen
wir haben offengelassen
ihr habet offengelassen
sie; Sie haben offengelassen
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich ließe offen
du ließest offen
er ließe offen
wir ließen offen
ihr ließet offen
sie; Sie ließen offen
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte offengelassen
du hättest offengelassen
er hätte offengelassen
wir hätten offengelassen
ihr hättet offengelassen
sie; Sie hätten offengelassen
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde offenlassen
du würdest offenlassen
er würde offenlassen
wir würden offenlassen
ihr würdet offenlassen
sie; Sie würden offenlassen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde offengelassen haben
du würdest offengelassen haben
er würde offengelassen haben
wir würden offengelassen haben
ihr würdet offengelassen haben
sie; Sie würden offengelassen haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du laß offen; lasse offen

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/offenlassen


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z


Vervoeg

Typ een werkwoordsvorm in en klik op de `Vervoeg` knop.

Vertalen

Naar

Spelling (woord)

Vervoegen

Synoniemen

Werkwoord vervoegen

Van Dale taalweb
© Mijnwoordenboek 2008