NL: oculeren U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geoculeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik oculeer jij oculeert hij oculeert wij oculeren jullie oculeren zij oculeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geoculeerd jij hebt geoculeerd hij heeft geoculeerd wij hebben geoculeerd jullie hebben geoculeerd zij hebben geoculeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik oculeerde jij oculeerde hij oculeerde wij oculeerden jullie oculeerden zij oculeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geoculeerd jij had geoculeerd hij had geoculeerd wij hadden geoculeerd jullie hadden geoculeerd zij hadden geoculeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal oculeren jij zult oculeren hij zal oculeren wij zullen oculeren jullie zullen oculeren zij zullen oculeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geoculeerd hebben jij zult geoculeerd hebben hij zal geoculeerd hebben wij zullen geoculeerd hebben jullie zullen geoculeerd hebben zij zullen geoculeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou oculeren jij zou oculeren hij zou oculeren wij zouden oculeren jullie zouden oculeren zij zouden oculeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geoculeerd hebben jij zou geoculeerd hebben hij zou geoculeerd hebben wij zouden geoculeerd hebben jullie zouden geoculeerd hebben zij zouden geoculeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
oculeer
|