NL: nuancerenSynoniemen: schakeren
DE: nuancieren, differenzieren
EN: nuance, differentiate, modify
ES: matizar
FR: nuancer, modifier, différencier
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
genuanceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik nuanceer jij nuanceert hij nuanceert wij nuanceren jullie nuanceren zij nuanceren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb genuanceerd jij hebt genuanceerd hij heeft genuanceerd wij hebben genuanceerd jullie hebben genuanceerd zij hebben genuanceerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik nuanceerde jij nuanceerde hij nuanceerde wij nuanceerden jullie nuanceerden zij nuanceerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had genuanceerd jij had genuanceerd hij had genuanceerd wij hadden genuanceerd jullie hadden genuanceerd zij hadden genuanceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal nuanceren jij zult nuanceren hij zal nuanceren wij zullen nuanceren jullie zullen nuanceren zij zullen nuanceren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal genuanceerd hebben jij zult genuanceerd hebben hij zal genuanceerd hebben wij zullen genuanceerd hebben jullie zullen genuanceerd hebben zij zullen genuanceerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou nuanceren jij zou nuanceren hij zou nuanceren wij zouden nuanceren jullie zouden nuanceren zij zouden nuanceren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou genuanceerd hebben jij zou genuanceerd hebben hij zou genuanceerd hebben wij zouden genuanceerd hebben jullie zouden genuanceerd hebben zij zouden genuanceerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
nuanceer
|