NL: nieten U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geniet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik niet jij niet hij niet wij nieten jullie nieten zij nieten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geniet jij hebt geniet hij heeft geniet wij hebben geniet jullie hebben geniet zij hebben geniet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik niette jij niette hij niette wij nietten jullie nietten zij nietten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geniet jij had geniet hij had geniet wij hadden geniet jullie hadden geniet zij hadden geniet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal nieten jij zult nieten hij zal nieten wij zullen nieten jullie zullen nieten zij zullen nieten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geniet hebben jij zult geniet hebben hij zal geniet hebben wij zullen geniet hebben jullie zullen geniet hebben zij zullen geniet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou nieten jij zou nieten hij zou nieten wij zouden nieten jullie zouden nieten zij zouden nieten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geniet hebben jij zou geniet hebben hij zou geniet hebben wij zouden geniet hebben jullie zouden geniet hebben zij zouden geniet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
niet
|
DE: nieten| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
genietet nietend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich niete du nietest er nietet wir nieten ihr nietet sie; Sie nieten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe genietet du hast genietet er hat genietet wir haben genietet ihr habt genietet sie; Sie haben genietet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich nietete du nietetest er nietete wir nieteten ihr nietetet sie; Sie nieteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte genietet du hattest genietet er hatte genietet wir hatten genietet ihr hattet genietet sie; Sie hatten genietet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde nieten du wirst nieten er wird nieten wir werden nieten ihr werdet nieten sie; Sie werden nieten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde genietet haben du wirst genietet haben er wird genietet haben wir werden genietet haben ihr werdet genietet haben sie; Sie werden genietet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich niete du nietest er niete wir nieten ihr nietet sie; Sie nieten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe genietet du habest genietet er habe genietet wir haben genietet ihr habet genietet sie; Sie haben genietet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich nietete du nietetest er nietete wir nieteten ihr nietetet sie; Sie nieteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte genietet du hättest genietet er hätte genietet wir hätten genietet ihr hättet genietet sie; Sie hätten genietet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde nieten du würdest nieten er würde nieten wir würden nieten ihr würdet nieten sie; Sie würden nieten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde genietet sein du würdest genietet haben er würde genietet haben wir würden genietet haben ihr würdet genietet haben sie; Sie würden genietet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du niete
|