NL: netwerken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
genetwerkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik netwerk jij netwerkt hij netwerkt wij netwerken jullie netwerken zij netwerken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb genetwerkt jij hebt genetwerkt hij heeft genetwerkt wij hebben genetwerkt jullie hebben genetwerkt zij hebben genetwerkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik netwerkte jij netwerkte hij netwerkte wij netwerkten jullie netwerkten zij netwerkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had genetwerkt jij had genetwerkt hij had genetwerkt wij hadden genetwerkt jullie hadden genetwerkt zij hadden genetwerkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal netwerken jij zult netwerken hij zal netwerken wij zullen netwerken jullie zullen netwerken zij zullen netwerken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal genetwerkt hebben jij zult genetwerkt hebben hij zal genetwerkt hebben wij zullen genetwerkt hebben jullie zullen genetwerkt hebben zij zullen genetwerkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou netwerken jij zou netwerken hij zou netwerken wij zouden netwerken jullie zouden netwerken zij zouden netwerken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou genetwerkt hebben jij zou genetwerkt hebben hij zou genetwerkt hebben wij zouden genetwerkt hebben jullie zouden genetwerkt hebben zij zouden genetwerkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
netwerk
|