NL: netshoppen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
genetshopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik netshop jij netshopt hij netshopt wij netshoppen jullie netshoppen zij netshoppen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb genetshopt jij hebt genetshopt hij heeft genetshopt wij hebben genetshopt jullie hebben genetshopt zij hebben genetshopt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik netshopte jij netshopte hij netshopte wij netshopten jullie netshopten zij netshopten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had genetshopt jij had genetshopt hij had genetshopt wij hadden genetshopt jullie hadden genetshopt zij hadden genetshopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal netshoppen jij zult netshoppen hij zal netshoppen wij zullen netshoppen jullie zullen netshoppen zij zullen netshoppen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal genetshopt hebben jij zult genetshopt hebben hij zal genetshopt hebben wij zullen genetshopt hebben jullie zullen genetshopt hebben zij zullen genetshopt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou netshoppen jij zou netshoppen hij zou netshoppen wij zouden netshoppen jullie zouden netshoppen zij zouden netshoppen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou genetshopt hebben jij zou genetshopt hebben hij zou genetshopt hebben wij zouden genetshopt hebben jullie zouden genetshopt hebben zij zouden genetshopt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
netshop
|