NL: nestelenDE: nestelen (zijn nest maken): nisten, einnisten
EN: nestelen (zijn nest maken): nest
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
genesteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik nestel jij nestelt hij nestelt wij nestelen jullie nestelen zij nestelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb genesteld jij hebt genesteld hij heeft genesteld wij hebben genesteld jullie hebben genesteld zij hebben genesteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik nestelde jij nestelde hij nestelde wij nestelden jullie nestelden zij nestelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had genesteld jij had genesteld hij had genesteld wij hadden genesteld jullie hadden genesteld zij hadden genesteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal nestelen jij zult nestelen hij zal nestelen wij zullen nestelen jullie zullen nestelen zij zullen nestelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal genesteld hebben jij zult genesteld hebben hij zal genesteld hebben wij zullen genesteld hebben jullie zullen genesteld hebben zij zullen genesteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou nestelen jij zou nestelen hij zou nestelen wij zouden nestelen jullie zouden nestelen zij zouden nestelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou genesteld hebben jij zou genesteld hebben hij zou genesteld hebben wij zouden genesteld hebben jullie zouden genesteld hebben zij zouden genesteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
nestel
|