NL: neigenSynoniemen: neigen (tendieren): neigen tot
EN: neigen (tendieren): tend, be inclined
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geneigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik neig jij neigt hij neigt wij neigen jullie neigen zij neigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geneigd jij hebt geneigd hij heeft geneigd wij hebben geneigd jullie hebben geneigd zij hebben geneigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik neigde jij neigde hij neigde wij neigden jullie neigden zij neigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geneigd jij had geneigd hij had geneigd wij hadden geneigd jullie hadden geneigd zij hadden geneigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal neigen jij zult neigen hij zal neigen wij zullen neigen jullie zullen neigen zij zullen neigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geneigd hebben jij zult geneigd hebben hij zal geneigd hebben wij zullen geneigd hebben jullie zullen geneigd hebben zij zullen geneigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou neigen jij zou neigen hij zou neigen wij zouden neigen jullie zouden neigen zij zouden neigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geneigd hebben jij zou geneigd hebben hij zou geneigd hebben wij zouden geneigd hebben jullie zouden geneigd hebben zij zouden geneigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
neig
|
DE: neigenNL: neigen (tendieren): neigen tot
EN: neigen (tendieren): tend, be inclined
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geneigt neigend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich neige du neigst er neigt wir neigen ihr neigt sie; Sie neigen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geneigt du hast geneigt er hat geneigt wir haben geneigt ihr habt geneigt sie; Sie haben geneigt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich neigte du neigtest er neigte wir neigten ihr neigtet sie; Sie neigten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geneigt du hattest geneigt er hatte geneigt wir hatten geneigt ihr hattet geneigt sie; Sie hatten geneigt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde neigen du wirst neigen er wird neigen wir werden neigen ihr werdet neigen sie; Sie werden neigen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geneigt haben du wirst geneigt haben er wird geneigt haben wir werden geneigt haben ihr werdet geneigt haben sie; Sie werden geneigt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich neige du neigest er neige wir neigen ihr neiget sie; Sie neigen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geneigt du habest geneigt er habe geneigt wir haben geneigt ihr habet geneigt sie; Sie haben geneigt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich neigte du neigtest er neigte wir neigten ihr neigtet sie; Sie neigten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geneigt du hättest geneigt er hätte geneigt wir hätten geneigt ihr hättet geneigt sie; Sie hätten geneigt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde neigen du würdest neigen er würde neigen wir würden neigen ihr würdet neigen sie; Sie würden neigen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geneigt haben du würdest geneigt haben er würde geneigt haben wir würden geneigt haben ihr würdet geneigt haben sie; Sie würden geneigt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du neige
|