NL: neerstortenSynoniemen: crashen, afstorten, steihelling
DE: abstürzen, niederstürzen, hinabstürzen
EN: crash down, thunder down
FR: écraser, tomber, précipiter, s'écraser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
neergestort
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stort neer jij stort neer hij stort neer wij storten neer jullie storten neer zij storten neer
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben neergestort jij bent neergestort hij is neergestort wij zijn neergestort jullie zijn neergestort zij zijn neergestort
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stortte neer jij stortte neer hij stortte neer wij stortten neer jullie stortten neer zij stortten neer
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was neergestort jij was neergestort hij was neergestort wij waren neergestort jullie waren neergestort zij waren neergestort
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal neerstorten jij zult neerstorten hij zal neerstorten wij zullen neerstorten jullie zullen neerstorten zij zullen neerstorten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal neergestort zijn jij zult neergestort zijn hij zal neergestort zijn wij zullen neergestort zijn jullie zullen neergestort zijn zij zullen neergestort zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou neerstorten jij zou neerstorten hij zou neerstorten wij zouden neerstorten jullie zouden neerstorten zij zouden neerstorten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou neergestort zijn jij zou neergestort zijn hij zou neergestort zijn wij zouden neergestort zijn jullie zouden neergestort zijn zij zouden neergestort zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stort neer
|