NL: neerslaanSynoniemen: afzetten, neerhalen, omslaan, onderuithalen, vloeren
DE: niederschlagen, umschlagen, zu Boden schlagen, umkippen, auseinandernehmen
EN: knock down, floor
ES: tumbar, doblar, derribar, tumbar de un golpe, derribar de un golpe
FR: abattre, faire tomber, flanquer par terre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
neergeslagen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sla neer jij slaat neer hij slaat neer wij slaan neer jullie slaan neer zij slaan neer
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb neergeslagen jij hebt neergeslagen hij heeft neergeslagen wij hebben neergeslagen jullie hebben neergeslagen zij hebben neergeslagen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sloeg neer jij sloeg neer hij sloeg neer wij sloegen neer jullie sloegen neer zij sloegen neer
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had neergeslagen jij had neergeslagen hij had neergeslagen wij hadden neergeslagen jullie hadden neergeslagen zij hadden neergeslagen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal neerslaan jij zult neerslaan hij zal neerslaan wij zullen neerslaan jullie zullen neerslaan zij zullen neerslaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal neergeslagen hebben jij zult neergeslagen hebben hij zal neergeslagen hebben wij zullen neergeslagen hebben jullie zullen neergeslagen hebben zij zullen neergeslagen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou neerslaan jij zou neerslaan hij zou neerslaan wij zouden neerslaan jullie zouden neerslaan zij zouden neerslaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou neergeslagen hebben jij zou neergeslagen hebben hij zou neergeslagen hebben wij zouden neergeslagen hebben jullie zouden neergeslagen hebben zij zouden neergeslagen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sla neer
|