NL: neerschietenSynoniemen: doden, overhoopschieten, doodschieten, neerleggen
DE: niederschießen, hinunterschiessen, schnell nach unten schießen, herabschiessen, herunterschiessen, herabspringen
EN: shoot down
FR: abattre, descendre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
neergeschoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schiet neer jij schiet neer hij schiet neer wij schieten neer jullie schieten neer zij schieten neer
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb neergeschoten jij hebt neergeschoten hij heeft neergeschoten wij hebben neergeschoten jullie hebben neergeschoten zij hebben neergeschoten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schoot neer jij schoot neer hij schoot neer wij schoten neer jullie schoten neer zij schoten neer
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had neergeschoten jij had neergeschoten hij had neergeschoten wij hadden neergeschoten jullie hadden neergeschoten zij hadden neergeschoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal neerschieten jij zult neerschieten hij zal neerschieten wij zullen neerschieten jullie zullen neerschieten zij zullen neerschieten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal neergeschoten hebben jij zult neergeschoten hebben hij zal neergeschoten hebben wij zullen neergeschoten hebben jullie zullen neergeschoten hebben zij zullen neergeschoten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou neerschieten jij zou neerschieten hij zou neerschieten wij zouden neerschieten jullie zouden neerschieten zij zouden neerschieten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou neergeschoten hebben jij zou neergeschoten hebben hij zou neergeschoten hebben wij zouden neergeschoten hebben jullie zouden neergeschoten hebben zij zouden neergeschoten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schiet neer
|