NL: neerdalenSynoniemen: afdalen, afstijgen, dalen, landen, neerkomen, nederdalen, omlaagkomen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
neergedaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik daal neer jij daalt neer hij daalt neer wij dalen neer jullie dalen neer zij dalen neer
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben neergedaald jij bent neergedaald hij is neergedaald wij zijn neergedaald jullie zijn neergedaald zij zijn neergedaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik daalde neer jij daalde neer hij daalde neer wij daalden neer jullie daalden neer zij daalden neer
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was neergedaald jij was neergedaald hij was neergedaald wij waren neergedaald jullie waren neergedaald zij waren neergedaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal neerdalen jij zult neerdalen hij zal neerdalen wij zullen neerdalen jullie zullen neerdalen zij zullen neerdalen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal neergedaald zijn jij zult neergedaald zijn hij zal neergedaald zijn wij zullen neergedaald zijn jullie zullen neergedaald zijn zij zullen neergedaald zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou neerdalen jij zou neerdalen hij zou neerdalen wij zouden neerdalen jullie zouden neerdalen zij zouden neerdalen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou neergedaald zijn jij zou neergedaald zijn hij zou neergedaald zijn wij zouden neergedaald zijn jullie zouden neergedaald zijn zij zouden neergedaald zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
daal neer
|