NL: nascholen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
nageschoold
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik school na jij schoolt na hij schoolt na wij scholen na jullie scholen na zij scholen na
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb nageschoold jij hebt nageschoold hij heeft nageschoold wij hebben nageschoold jullie hebben nageschoold zij hebben nageschoold
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schoolde na jij schoolde na hij schoolde na wij schoolden na jullie schoolden na zij schoolden na
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had nageschoold jij had nageschoold hij had nageschoold wij hadden nageschoold jullie hadden nageschoold zij hadden nageschoold
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal nascholen jij zult nascholen hij zal nascholen wij zullen nascholen jullie zullen nascholen zij zullen nascholen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal nageschoold hebben jij zult nageschoold hebben hij zal nageschoold hebben wij zullen nageschoold hebben jullie zullen nageschoold hebben zij zullen nageschoold hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou nascholen jij zou nascholen hij zou nascholen wij zouden nascholen jullie zouden nascholen zij zouden nascholen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou nageschoold hebben jij zou nageschoold hebben hij zou nageschoold hebben wij zouden nageschoold hebben jullie zouden nageschoold hebben zij zouden nageschoold hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
school na
|